Er bestaan drie vormen van aderpatroonherkenning. Handpalm-aderpatroonherkenning, vinger-aderpatroonherkenning (die beide met behulp van zogeheten near infrarood* licht werken) en retina-aderpatroonherkenning.

 
*‘Near’ infrarood licht is infrarood licht met een korte golflengte.

1. Handpalm-aderpatroonherkenning

De hemoglobine in je bloed bevat zuurstof zodra het van je longen door de slagaders naar de weefsels in je lichaam wordt getransporteerd. Zodra het bloed weer via de overige aders terugstroomt naar je hart, heeft het die zuurstof afgegeven. Aderpatroonherkenning maakt gebruik van dit verschil tussen zuurstofarme en zuurstofrijke hemoglobine. Zuurstofarme hemoglobine heeft namelijk de eigenschap dat het infrarood licht absorbeert. Hierdoor wordt het aderpatroon zichtbaar zodra je er met een scanner infrarood licht op straalt.

Het aderpatroon in de handpalm is voor iedereen uniek, waardoor je het – door referentiepunten in het patroon op te slaan – kunt gebruiken als identificatiemiddel en beveiligingstechniek. Bij de meeste systemen die gebruik maken van aderpatroonherkenning wordt het aderpatroon als ‘image’ opgeslagen en al dan niet gecodeerd. Bij de Palm-ID daarentegen worden de gescande referentiepunten rechtstreeks opgeslagen in een zogeheten encrypted template; het aderpatroon wordt al in de scanner omgezet in code. Hierdoor heeft deze vorm van handpalm-aderpatroonherkenning een extreem hoog beveiligingsniveau.

2. Vinger-aderpatroonherkenning

Vinger-aderpatroonherkenning werkt volgens hetzelfde principe als handpalm-aderpatroonherkenning. Door near infrarood licht op het aderpatroon van de vingers te stralen kan dit patroon dankzij de zuurstofarme hemoglobine worden herkend.

Wel heb je bij een vingerscan te maken met een veel kleiner oppervlak. Dat maakt deze techniek enerzijds compacter dan handpalm-aderpatroonherkenning, omdat de scanner simpelweg kleiner is. Maar aan de andere kant is het juist minder gebruikersvriendelijk, omdat de positionering van de vinger op de scanner nauwer luistert. Door het kleinere oppervlak zijn er immers minder referentiepunten, wat het lastiger maakt om het patroon goed te herkennen. Wat dat betreft geldt voor aderpatroonherkenning: hoe meer referentiepunten, hoe meer veiligheid én gebruiksgemak.

3. Retina-aderpatroonherkenning

Het menselijke netvlies, ofwel de retina, is een dun weefsel dat zich in het achterste gedeelte van het oog bevindt. Vanwege de complexe structuur van de haarvaten die het netvlies van bloed voorzien, is elk retina uniek.

Bij retina-aderpatroonherkenning wordt het netvlies gescand door een (niet infrarood) licht dóór de oogbol heen te stralen. Omdat de bloedvaten in het netvlies dit licht absorberen, kan het aderpatroon worden herkend en opgeslagen als een image. Retina-aderpatroonherkenning wordt steeds minder toegepast, met name vanwege de gebruiksvriendelijkheid, of beter: het gebrek daaraan. Voor een goede werking moeten gebruikers hun hoofd namelijk goed stilhouden, op precies de juiste hoogte en afstand. Ook vinden veel mensen het een onprettig idee om licht in hun ogen gestraald te krijgen.

Meer weten?

Deelt u onze belangstelling voor biometrie? Zoekt u een biometrische beveiligingsoplossing voor uw organisatie? Volg ons op LinkedIn, stel een vraag aan onze experts of neem rechtstreeks contact op met een van onze distributiepartners.

Contact